HomeRechtsgebiedMedezeggenschap/ondernemingsraad
arbeidsrecht

Medezeggenschap/ondernemingsraad


De wetgever heeft het wenselijk geoordeeld dat inspraak van werknemers ten aanzien van de onderneming waar zij werken wettelijk wordt geregeld.
In de Wet op de Ondernemingsraden (WOR) is bepaald dat de ondernemer die een onderneming heeft, waarin in de regel minstens 50 personen werkzaam zijn, verplicht is een ondernemingsraad in te stellen.
Onderneming in de zin van deze wet wordt breed gezien, het gaat dan niet alleen om bedrijven, maar ook om niet commerciële organisaties en zelfs overheidsinstellingen.
De wettelijke regeling voorziet ook in het instellen van een zogenaamde personeelsvertegenwoordiging (PVT) in bedrijven waar in de regel tenminste 10, maar minder 50 personen werkzaam zijn, indien de meerderheid van de in de onderneming werkzame personen daarom vraagt.

De basis van de wettelijke regeling over medezeggenschap is neergelegd in artikelen 25 en 27 van de WOR.
Artikel 25 WOR geeft een wettelijk recht op advies aan de ondernemingsraad ten aanzien van belangrijke besluiten van de onderneming op financieel, bedrijfseconomisch of bedrijfsorganisatorisch terrein.
Bij, gezien de aard en de omvang van de onderneming, belangrijke beslissingen op deze terreinen, is de ondernemer verplicht advies te vragen aan de OR voordat de beslissing wordt genomen.
Het advies moet op een zodanig moment worden aangevraagd, dat het ook nog van serieuze invloed kan zijn op de besluitvorming door de directie.

In de adviesaanvraag moet de ondernemer aangeven wat de beweegredenen voor het besluit zijn, wat de gevolgen van het besluit zijn voor het personeel en welke maatregelen in dat verband worden genomen.
Naar aanleiding van een adviesaanvraag moet ook minimaal eenmaal overleg plaatsvinden met de OR.
De ondernemingsraad dient vervolgens tijdig een advies uit te brengen.
Nadat dit advies is uitgebracht, kan de ondernemer de betreffende beslissing nemen met dien verstande dat het besluit schriftelijk moet worden gedaan en ook aan de ondernemingsraad moet worden medegedeeld.
Als het advies van de ondernemingsraad niet wordt gevolgd, zal in de beslissing uitgebreid moeten worden gemotiveerd waarom het advies niet is gevolgd.

In het geval een besluit wordt genomen tegen het advies van de ondernemingsraad in, heeft de ondernemingsraad de mogelijkheid om tegen het besluit beroep in te stellen bij de Ondernemingskamer van het Gerechtshof te Amsterdam.
De Ondernemingskamer toetst de beslissing echter marginaal.
Dat betekent dat niet alle feiten en omstandigheden worden beoordeeld, maar dat de Ondernemingskamer alleen oordeelt over de vraag of de ondernemer in redelijkheid tot het besluit kon komen en of de wettelijke procedures en regels zijn gevolgd

Artikel 27 WOR bepaalt dat de in dat artikel genoemde besluiten op het gebied van sociaal beleid uitsluitend mogen worden genomen indien de ondernemingsraad daarmee instemt.
Dit is alleen niet van toepassing als de betreffende aangelegenheid in een CAO is geregeld.

Behalve de voornoemde bevoegdheden, heeft de ondernemingsraad ook nog andere bevoegdheden die in de WOR zijn neergelegd:

  1. De ondernemingsraad heeft een recht op overleg aangaande de algemene gang van zaken binnen de onderneming.
  2. De ondernemingsraad heeft ook een zogenaamd initiatiefrecht, dat is het recht om voorstellen te doen aan de ondernemer.
    Als van een dergelijk initiatiefrecht gebruik wordt gemaakt, is de ondernemer verplicht overleg te voeren en een schriftelijk en gemotiveerd besluit aangaande het initiatief-advies te nemen.
  3. Verder heeft de ondernemingsraad recht op informatie, waaronder informatie over juridische en organisatorische aangelegenheid ter zake de onderneming, informatie over het personeelsbeleid, over het beloningsbeleid en over de advies- en instemmingsprocedure.

Uitgangspunt is dat voor iedere onderneming in de zin van de WOR een ondernemingsraad wordt ingesteld als aan de wettelijke eisen wordt voldaan.
Als er sprake is van afzonderlijke vestigingen, is het uitgangspunt dat voor elke vestiging een afzonderlijke ondernemingsraad kan zijn vereist.
Wanneer er sprake is van een groep ondernemingen, kan een zogenaamde Centrale Ondernemingsraad (COR) worden ingesteld, bestaande uit afgevaardigden uit de individuele ondernemingsraden.
Deze COR is bevoegd ter zake aangelegenheden met gemeenschappelijk belang.
Indien deze bevoegdheid er is, zijn de onderliggende ondernemingsraden niet meer bevoegd.
De wet voorziet ook in bepaalde gevallen in het instellen van een zogenaamde Groepsondernemingsraad (GOR).
Een GOR kan bijvoorbeeld worden ingesteld voor een bepaalde groep met elkaar samenhangende bedrijven binnen een concern.

Tot slot is er de mogelijkheid van een zogenaamde Europese Ondernemingsraad (EOR) bij grote concerns met meer dan 1000 werknemers, die vestigingen hebben in twee of meer landen binnen de Europese Unie, indien in tenminste twee landen minimaal 150 werknemers in dienst zijn en als de hoofdzetel binnen één van de landen van de EU gevestigd is.
De Europese ondernemingsraad heeft aanzienlijk minder bevoegdheden dan de Nederlandse ondernemingsraad.

Voor ondernemers is van belang te weten dat het adviesrecht van de ondernemingsraad mogelijk niet altijd een doorslaggevende invloed heeft, maar dat er grote problemen kunnen ontstaan wanneer het wettelijke medezeggenschapstraject niet op de juiste wijze wordt gevolgd.
Het niet in acht nemen van de juiste procedure heeft al tot zeer aanzienlijke problemen geleid bij menige overname of reorganisatie.

Wat betreft de ondernemingsraden is van belang dat het adviesrecht wellicht een zwak instrument lijkt, maar dat het zeker bij grotere reorganisaties of bij financiële herstructureringen een krachtig middel kan zijn om bepaalde garanties of voorzieningen voor de medewerkers te verkrijgen.
Of om de directie te bewegen bepaalde alternatieven in elk geval serieus te nemen.