Parkeernormen bij ruimtelijke ontwikkelingen

Waarom voor twee identieke ruimtelijke ontwikkelingen toch andere parkeernormen kunnen gelden?

Stel: twee buren hebben een identieke woning en willen allebei hun huis weer splitsen in twee woningen. Het omgevingsplan staat meerdere woningen ook toe. De ene buurman hoeft daarvoor niets te verbouwen: de bestaande indeling staat het al toe. De andere buurman moet kleine bouwkundige aanpassingen verrichten. Toch kan alleen die tweede buurman te maken krijgen met de eis om extra parkeerplaatsen aan te leggen. Hoe kan dat?

Het gaat niet om de parkeerdruk, maar om het toetsmoment

Het verschil is niet in de feitelijke parkeersituatie, maar in de vraag of er een omgevingsvergunning nodig is. Wie verbouwt, heeft vaak een omgevingsvergunning nodig. Op dat moment beoordeelt de gemeente de aanvraag en toetst zij ook aan het gemeentelijk parkeerbeleid. Wie niets verbouwt en geen vergunning aanvraagt, heeft dat toetsmoment in beginsel simpelweg niet. De gemeente heeft dan ook geen bevoegdheid om parkeerregels toe te passen, ook niet als de parkeersituatie in de praktijk net zo verandert. Dit komt doordat de wetgever bij vergunningvrije activiteiten al heeft bepaald dat de ruimtelijke gevolgen daarvan aanvaardbaar zijn. Een extra parkeertoets past daar dan niet meer bij (ABRvS,16 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:512).

Niet elke verbouwing leidt automatisch tot extra parkeereisen, maar de rechtspraak is niet altijd consistent

De bestuursrechter kijkt inmiddels niet altijd alleen naar de vraag óf er een omgevingsvergunning nodig is. Dat bleek uit een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (Rb. Noord-Holland, 30 januari 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:1282). In die zaak ging het om een dakopbouw waarvoor een zogenoemde binnenplanse afwijking nodig was: een situatie waarbij de gemeente beoordelingsruimte heeft en dus enige vrijheid om mee te wegen of er werkelijk extra parkeerbehoefte ontstaat. De rechtbank beoordeelde expliciet of de dakopbouw feitelijk leidde tot meer parkeerbehoefte. Omdat dat niet het geval was of althans niet duidelijk was aangevoerd, hoefden er geen extra parkeerplaatsen te komen. De strikte toets aan de planregels verschoof daarmee van “valt dit plan onder de parkeernorm?” naar “leidt dit plan feitelijk tot meer parkeerbehoefte?”

Maar hier zit een opvallende paradox. Deze benadering past bij een situatie waarin de gemeente beoordelingsruimte heeft. Bij een kleine verbouwing waarvoor de vergunning in beginsel gewoon verleend móét worden, de zogeheten gebonden beschikking, lijkt die ruimte er formeel niet te zijn. De planregels schrijven dan voor dat aan de parkeernorm wordt getoetst, en daar lijkt weinig van af te wijken. Toch roept dat een terechte vraag op: is dat verschil eigenlijk wel gerechtvaardigd? Als een dakopbouw bij een binnenplanse afwijking niet hoeft te voldoen aan de parkeernorm, omdat er feitelijk geen extra parkeerbehoefte ontstaat, waarom zou dat dan anders zijn bij een even kleine verbouwing waarvoor de vergunning gewoon verleend moet worden? De ruimtelijke impact is immers nagenoeg gelijk.

Het is dan ook verdedigbaar dat ook bij dit soort kleinschalige bouwplannen de eerste vraag zou moeten zijn: leidt dit plan in de praktijk werkelijk tot meer parkeerbehoefte? Pas als dat het geval is, zou de parkeernorm volledig van toepassing moeten zijn. Deze lijn wordt in de rechtspraak nog niet breed gevolgd, maar de gedachte is wel het gevolg van die lijn die volgt uit de situatie daar waar gemeenten al beoordelingsvrijheid hebben bij soortgelijke bouwplannen.

Spanning tussen regels en werkelijkheid

Dit roept een breder spanningsveld op. Het systeem van parkeernormen is juist bedoeld om objectief en uniform te kunnen toetsen. Als bij de ene verbouwing wél en bij de andere niet wordt gekeken naar de feitelijke parkeerbehoefte, dan kan dat voor anderen leiden tot onbegrip en rechtsonzekerheid over planregels. De rechtspraak zoekt hier een middenweg: enerzijds wordt de formele koppeling tussen bouwen en parkeernormen erkend, anderzijds wordt bij kleinere ontwikkelingen ook gekeken naar de werkelijke ruimtelijke impact.

De oplossing ligt bij gemeenten

Een oplossing is dat gemeenten in hun omgevingsplan en parkeerbeleid zelf duidelijk vastleggen voor welke soorten verbouwingen géén parkeertoets nodig is — bijvoorbeeld bij kleine uitbreidingen of interne verbouwingen die geen extra parkeerbehoefte opleveren. Zo worden vergelijkbare situaties gelijk behandeld en weten initiatiefnemers vooraf waar zij aan toe zijn. De rechtspraak biedt hiervoor al aanknopingspunten.

Zo heeft de Afdeling bestuursrechtspraak overwogen dat een onzelfstandige uitbreiding die gericht is op vergroting van het woongenot in de betreffende gemeente, geacht kan worden geen extra parkeerbehoefte te genereren (ABRvS, 8 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1029),mits dit met voldoende precisie is vastgelegd in het omgevingsplan. Daarbij spelen zowel de architectonische als de functionele ondergeschiktheid van de uitbreiding een rol voor de definitie van de onzelfstandige uitbreiding, en kan het omgevingsplan zelf duidelijk bepalen hoe deze criteria worden toegepast (Rb. Limburg, 16 november 2021, ECLI:NL:RBLIM:2021:8639).

Wat betekent dit voor u?

Bent u van plan te verbouwen of uw woning of bedrijfspand anders te gebruiken? Dan zijn er twee praktische lessen:

  • Onderzoek eerst of uw plannen vergunningvrij kunnen worden uitgevoerd. Zonder omgevingsvergunning is er geen toetsmoment en gelden de parkeernormen in beginsel niet.
  • Als een omgevingsvergunning wél nodig is, onderbouw dan goed dat uw verbouwing niet leidt tot meer parkeerbehoefte. Zeker bij kleinere of beperkte bouwplannen kan dat het verschil maken.

Advies nodig?

Frank Horstman is advocaat bestuursrecht en omgevingsrecht bij Tanger Advocaten en procedeert regelmatig over omgevingsvergunningen en ruimtelijke ordening. Heeft u te maken met een geweigerde omgevingsvergunning wegens het parkeerbeleid of wilt u toetsen of een (gemeentelijk) besluit juridisch houdbaar is? Neem gerust contact op.

 

Parkeernormen, omgevingsvergunning, omgevingsplan, parkeerbeleid gemeente, ruimtelijke ordening, bestuursrecht, omgevingsrecht, verbouwen parkeereisen, dakopbouw parkeren, woningsplitsing parkeren, vergunningvrij bouwen, mr. F.W. Horstman, advocaat omgevingsrecht Noord-Holland, advocaat bestuursrecht Haarlem, advocaat Alkmaar omgevingsrecht, Tanger Advocaten.

Over Mr. F.W. Horstman

Frank voert een brede praktijk die zich hoofdzakelijk richt op het bestuursrecht (omgevingsrecht), contractenrecht en aansprakelijkheidsrecht. Deze rechtsgebieden worden onder meer toegepast in het vastgoed en in de overheidspraktijk.

Bekijk profiel
Kantoor Velsen-Zuid 0255-547800
Rechtstreeks 06-528 65 896
E-mail f.w.horstman@tanger.nl

Heeft u een kwestie of een vraag?

Bel 06 – 528 659 02 of laat uw gegevens achter

Dit veld is bedoeld voor validatiedoeleinden en moet niet worden gewijzigd.

Meer over bestuursrecht

Bekijk alle artikelen